FRIESLAND - De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft uitspraak gedaan in een zaak van drie natuurstichtingen tegen de provincie Fryslân omtrent een ontheffing voor het vangen en doden van steenmarters. Die ontheffing werd door de provincie gegeven ter bescherming van de stand van de grutto. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het vangen en doden van de marters voorlopig moet worden gematigd.


De ontheffing voor het doden van 429 marters
|In december vorig jaar is door Gedeputeerde Staten van Provincie Fryslân (hierna: GS) een ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming voor het doden van 429 steenmarters in een aantal weidevogelgebieden in Fryslân. Die ontheffing is verleend aan de Faunabeheereenheid (hierna: Fbe) en is bedoeld om te voorkomen dat de steenmarters de nesten van de weidevogels en dan in het bijzonder de grutto, leegroven. Dat is nodig volgens GS omdat het bijzonder slecht gaat met de weidevogels en in het bijzonder de grutto. Provincie Fryslân is ook in hoge mate verantwoordelijk voor het voortbestaan van de grutto nu deze binnen Europa voor een zeer belangrijk deel in Fryslân broedt.

Het verzoek om de ontheffing te schorsen
Tegen die ontheffing is door een tweetal stichtingen die opkomen voor de fauna in Nederland en een stichting die zich in het bijzonder de belangen van de steenmarter aantrekt, een voorlopige voorziening gevraagd omdat ze van mening zijn dat de steenmarter ook een beschermd dier is en het afschieten van de steenmarters niet gaat helpen om de weidevogelstand te verbeteren en de grutto voor uitsterven te behoeden. Zij benadrukken dat eerst de leefomgeving, de biotoop, van de weidevogels moet worden vergroot en in kwaliteit moet verbeteren zodat er ook genoeg voedsel is voor de jongen om te overleven.

Hoe zeker is het dat de ontheffing ook echt nodig is en gaat werken?
De voorzieningenrechter is op grond van hetgeen door partijen is aangevoerd tot de voorlopige conclusie gekomen dat er de nodige onzekerheid is omtrent de vraag of het echt wel nodig is dat de steenmarter wordt gedood om de overlevingskansen van de weidevogels en de grutto te verbeteren. Die onzekerheid ziet met name op de vraag of niet eerst de biotoop van de weidevogels op orde moet worden gebracht en op de vraag of het doden van de steenmarter inderdaad zo’n gunstig effect zal hebben op de weidevogelstand dat de neergang kan worden omgebogen. Tenslotte stelt de voorzieningenrechter de nodige vraagtekens bij de vraag of er door het doden van de steenmarter geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de steenmarter. De voorzieningenrechter constateert op basis van de overgelegde rapporten dat onduidelijk is waarom wordt geconcludeerd dat de steenmarter op dit moment inderdaad in een gunstige staat van instandhouding verkeert en dat er grote onzekerheid bestaat over het aantal steenmarters dat er op dit moment in Fryslân leeft. Dit zorgt ook voor grote onzekerheid omtrent de vraag of de populatie zich wel binnen korte tijd kan herstellen, en of het weghalen van de steenmarter uit een deel van zijn natuurlijke habitat geen afbreuk betekent van de gunstige staat van instandhouding doordat daardoor zijn verspreidingsgebied wordt verkleind.

Welk dier is belangrijker, de steenmarter of de grutto?
De voorzieningenrechter stelt in het kader van de door haar te maken belangafweging voorop dat hij zowel een groot belang hecht aan de stand van de grutto en de overige weidevogels in Fryslân als een groot belang hecht aan de steenmarters die daar zijn natuurlijke habitat heeft. Gegeven de onzekerheid ten aanzien van de werkelijke omvang van de steenmarter-populatie en de onduidelijkheid ten aanzien van de gevolgen van het vangen en aansluitend doden van 429 steenmarters in de in het bestreden besluit genoemde perioden voor de gunstige staat van instandhouding van de steenmarter zoals bedoeld in de Wnb, acht de voorzieningenrechter het geboden om het vangen en aansluitend doden van steenmarters te matigen totdat in bezwaar is besloten voor wat betreft de in deze uitspraak benoemde onzekerheden en op de gronden van bezwaar van verzoeksters. Gelet op de door GS en de Fbe uitgesproken verwachting dat in de komende periode niet meer dan 250 steenmarters zullen worden gevangen en gedood, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een maatregel te treffen, in die zin dat ontheffinghoudster in de in het bestreden besluit genoemde perioden niet meer dan 200 steenmarters mag vangen en aansluitend mag doden, evenredig verdeeld aan de hand van de in het bestreden besluit genoemde ontheffings-gebieden voorkomende steenmarters.